AFWEZIG

Patje

Code: 1977
Paragnost

Paragnost Patje voorspelt u feilloos de toekomst, en dit door middel van de pendel en zijn kaarten.  Patje heeft een goed doorzicht en inzicht in elke situatie of probleemstelling en probeert u met raad en daad te begeleiden.

Als paragnost is Patje ondertussen reeds uitgegroeid tot een icoon binnen het Vlaamse Paranormaal wereldje. Zijn optredens op de vroegere ParaNormica en Para-Astro beurzen trokken steeds veel volk en meermaals gaf paragnost Patje er een demonstratie van zijn kunnen voor, tot in de nok gevulde, overvolle  zalen.   Patje  is dan ook een specialist in het aanvoelen van foto’s en voorwerpen.

Patje is een échte Oostendenaar, geboren en getogen, een man die leeft in die historische havenstad nabij de Noordzee en die daar ook een zeer sterke binding mee heeft. .

Oostende is een  stad met een rijk vissersverleden.
De plaatselijke Oostendse vissersbevolking was van nature een zeer gelovig maar tegelijkertijd ook een zeer bijgelovig volk.   De vissers,  in vroegere tijden, waren zeer arm en hadden het zeker niet gemakkelijk.   Het vissersleven  was zeer hard labeur en hield ook heel wat risico’s in.   Vele vissers kwamen vroegtijdig om het leven op zee en lieten vrouw en kinderen verweesd achter. De vis werd letterlijk en figuurlijk ‘duur betaald’.

Het kwam steeds op hetzelfde neer: gezondheid of ziekte, voorspoed of tegenslag werden bepaald door verschijnselen, waarnemingen en gebeurtenissen, aan wal of op zee.   Voortekens en signalen van de natuur en zijn omgeving werden dan ook heel goed gadegeslagen en opgevolgd.

Oostendse zieners, kaartleggers, lotsbezweerders  waren naast mijnheer pastoor en de plaatselijke bewindslieden dan ook graag geziene en gerespecteerde figuren.  Hun adviezen en visionaire inzichten werden zeker niet in de wind geslagen…

Paragnost Patje heeft zijn Gave van generatie op generatie overgeërfd en zet die oude Oostendse tradities tot op heden ten dage nog steeds verder.    Paragnost Patje wordt geconsulteerd door vele bekende Oostendenaren, maar discreet als hij steeds is, praat hij zeker niet buiten het boekje. Een consultatie bij Paragnost Patje uit Oostende verloopt steeds discreet en in uiterste vertrouwen…

Geluk en ongeluk bij de vissers…

Geluksbrengers

Zowel de geluksbrengers als de ongeluksbrengers bij de vissers zijn te verdelen onder ontmoetingen met mensen en dieren, voortekens en voorwerpen.

De haan was een goed voorteken. Bij de tewaterlating van een nieuwe vissersboot of bij de ingebruikname van een nieuw visnet, werd er dan ook een haan gegeten.  Het roepen van een koekoek bij het vertrek op zee was de voorbode van een zeer mooie vangst.  En kippen aan boord van het schip waren ‘windbrengers’ die voor de nodige wind in de zeilen zou zorgen. Wanneer de visser,  terwijl hij op weg was naar zijn schip,  een kudde schapen kruiste, was dat ook een goed voorteken.

Een hoer tegenkomen op weg naar de boot betekende een goede vangst. Men moest er dan wel bijnemen dat de visser zijn ziel verpatste aan de duivel. Ook de ontmoeting met iemand in uniform (bvb. militair of politieagent) zou geluk brengen. En wanneer de koning aan boord was gekomen, zou het schip een voorspoedig bestaan kennen en vele mooie vangsten aan wal brengen.

Het gebed was belangrijk aan boord.  Voor het vissen op sprot baden de vissers : ‘Och God, geef ons toch ‘n sprotje, wij hebben het zo nodig voor t’wuvve neur protje’.  De vissers droegen ook dikwijls het bekende ‘Gebed van Keizer Karel’,  een heiligensantje of een medaillon bij zich.  De onderzijde van de klompen werd soms beslagen met koperen nagels in de vorm van een kruis. Om bescherming af te smeken werd onder de scheepsmast een paasnagel verborgen. Soms werd een gewijd palmtakje of een O.-L.-Vrouwebeeldje in het net verborgen of aan de mast vastgemaakt.

Traditionele geluksbrengers zijn een stukje hout, een hoefijzer, een mollen- of een reigerpoot, een wilde kastanje,…  Door het werpen van enkele muntstukjes in zee zou een goede vangst of een goede wind kunnen worden afgekocht.  Een Sint-Jakobsschelp of een dondersteen zouden het onweer weghouden.

Vele vissers droegen één oorring. Die zou hoofdpijn en een verminderd gezichts- en gehoorvermogen tegengaan. Het meer praktisch nut was dat de visser steeds iets waardevol bij zich droeg als zijn schip zou vergaan en hij op een onbestemde plaats zou belanden.   Op die manier zou hij hiermee zijn begrafenis kunnen betalen en zou hij begraven worden in gewijde grond.

Wanneer men een rechterschoen of -laars opviste bracht dat geluk en de schoen werd aan de mast bevestigd. Linkerschoenen werden teruggegooid.

Ongeluksbrengers

De vissers hadden een onzeker bestaan en geloofden dan ook zeer in allerlei slechte voortekens.

Heksen, duivels en toverkollen konden de gedaante aannemen van een zwarte kat, een wolf, een zwarte vogel… Wanneer men een van die dieren zag dan wou dat zeggen dat er onheil op komst was.  Ook mocht men over die dieren aan boord van het schip niet spreken want dan zou men ze kunnen oproepen.  Ook het ontmoeten van een varken (onrein dier) op weg naar het schip betekende niet veel goeds.  Het knippen van baard en haar waren ook verboden aan boord van het schip, zelfs het spreken over een coiffeur of het aan boord brengen van een hond met veel haren, omdat haar in verband werd gebracht met heksen.  Indien die de haren van iemand zou kunnen  bemachtigen dan zouden zij hun magische kracht tegen die persoon kunnen gebruiken.  Ook over messen en scharen mocht niet worden gesproken.  Scherpe voorwerpen zouden namelijk de vriendschapsbanden  kunnen afsnijden…

Tabak en tabaksgeur zouden de vis verdrijven.  Het ontmoeten van een pastoor, een non, een gehandicapte (hoedt u voor de getekende staat immers in de bijbel) of een oude vrouw voorspelde maar weinig goeds.    De zwarte kledij van nonnen en pastoors zou eveneens een slecht voorteken zijn. Bovendien wekten die personen de woede op van de zeeduivel die zich dan op de vissers zou wreken.  Oude vrouwtjes werden dikwijls in verband gebracht met hekserij.

Op zon- en feestdagen mocht er zeker niet worden gevist want dat bracht ongeluk. Een van de kinderen zou met een vissenkop worden geboren. Wie op de avond van Driekoningen ( 6 januari ) uitvoer riskeerde vissen met drie koppen te vangen en op Allerheiligen en Goede Vrijdag zou men doodshoofden  in zijn netten vangen. Als men op Nieuwjaarsdag viste, zou men een slecht jaar tegemoet gaan.  Als men een bezem tegen de reling zette, zou de gevangen vis van boord worden geveegd.  Soms bond men wel een bezem op de top van de mast om te verhinderen dat er (zwarte) vogels op de mast zouden neerstrijken.  Aan boord mocht de visser geen vis meenemen (men ging immers vis gaan vangen) en ook geen lang brood aangezien dat een lange reis zou betekenen.   Een koekebrood zou grote gaten in de netten met zich meebrengen.